Herkomst

De Basset Fauve de Bretagne, een Franse jachthond, is de ‘dicht-bij-de-grond-staande’ variëteit van een veel groter ras, namelijk dat van de Fauves de Bretagne. Dit is een van de oudste Franse rassen, al bekend uit de 14e en 15e eeuw. In die tijd bezat ene Huet al een meute honden van dit type. Van deze honden is be­kend dat ze tegelijk met de drie grote, groepen oor­spronkelijke brakken bestonden:

  • de Chiens Blancs, genaamd ‘du Roy’,
  • de Gris de Saint-Louis en
  • de Fau­ves de Bretagne.

Tegenwoordig is het ras van de Fauves de Bretagne verdeeld in twee variëteiten: de Bassets en de Grif­fons. Er heeft lang een derde variëteit bestaan, maar deze is niet meer officieel erkend sedert de in 1980 ge­houden nationale fokkerstentoonstelling van de Fauve de Bretagne in Fougères.

Het is altijd beter om iets aan vernieuwing en ontwikkeling van het aantal griffons en bassets binnen dit ras te doen dan om kunstmatig een soort tussenvariëteit in stand te houden die alleen maar afbreuk doet aan de beide andere. De Basset is verreweg de meest verspreide variëteit onder de Fau­ves, ondanks het feit dat de Griffon zich in een toene­mende populariteit mag verheugen.

De Griffon en de Basset hebben dezelfde uiterlijke kenmerken voor wat betreft de vorm van het hoofd, de textuur van de vacht, de kleur en de manier waarop de staart wordt gedragen. Het meest opvallende kenmerk waarin de Basset zich onderscheidt van de Griffon, zijn de ongewoon korte benen. Bassettisme, kortbenigheid of dyschondroplasie is ontstaan door een mutatie: een erfelijke ‘toevalligheid’. Door deze afwijking is de hond bijzonder geschikt om zich te verplaatsen in kreupel­hout en doornig struikgewas. Dit verklaart waarom fok­kers die een jachtgezel wilden hebben voor moeilijk begaanbaar terrein, deze kortbenigheid hebben aan­gemoedigd en vastgelegd in het ras.

Ondanks, of misschien wel dankzij, zijn ouderdom was het ras van de Fauves de Bretagne 40 jaar geleden bij­na verdwenen uit de streek waaruit het afkomstig was. Om die reden werd op aandrang van de heer Lessard (voorzitter van de Bretonse Société Canine) en van graaf Jean de Pluvie in 1949 de Club du Briquet Fauve de Bretagne opgericht. De club zette zich onder ande­re in om honden die werden bedreigd met verdwijnen te beschermen en meer bekendheid te geven. Het ging toen vooral om de briquet en de basset.

De Franse, nationale erkenning van de Fauves de Bre­tagne is te danken aan de heer Marcel Pambrun, op­volger van de heer Lessard bij de Société Canine, een vereniging die tegenwoordig overigens niet meer be­staat. Hij wendde al zijn kennis als jager en keur­meester aan om het ras opnieuw op te bouwen. Het lukte dan ook om opnieuw een fokkerij te stimuleren die van hoog niveau was. Het resultaat loog er niet om.

De Bassets en de Griffons Fauves de Bretagne heb­ben hetzelfde karakter. Hun gemeenschappelijke voor­ouders jaagden op de wolf en zijn dan ook moedige, vurige, dappere honden, die onverschrokken durven aanvallen. Ze hebben een fijne neus en zijn goed bestand tegen kou en vocht. Ze zijn erg actief, jagen op een vrolijke, spontane manier en hebben een mooie hals, zonder overdreven te zijn. Deze levendige die­ren, die zich uitstekend thuis voelen in het kreupel­hout, zijn prirna metgezellen voor de haze- en konijne­jacht. Ze hebben zich ook perfect weten aan te passen aan ander wild en aan andere manieren van jagen dan ze gewend waren, vooral aan de jacht onder het ge­weer. Deze honden hebben namelijk oog en oor en beschikken over één heel belangrijke eigenschap; ze zijn bijzonder schotvast.

Een klein foutje van de Basset Fauve de Bretagne, dat hem echter niet minder aantrekkelijk maakt, is een ze­kere neiging tot onafhankelijkheid. Het lijkt een ge­paste karaktertrek voor deze ‘Bretonse hond die af­komstig is uit een provincie waarop hij lijkt’, zoals de Fransman Bernard Vallée zei. ‘Al zijn deze honden van nature jachthonden en al kunnen ze niet zonder scha­de worden omgevormd in gezelschapshonden voor het hele jaar, toch hebben ze bewezen dat ze voortreffe­lijk, aanhankelijk en zacht met kinderen kunnen om­gaan.’

VERWANTE RASSEN

Ondanks het duidelijke verschil in vacht, worden de Grands Bassets Griffons Vendéens (schouderhoogte 38-42 cm) en de Petits Bassets Griffons Vendéens door de leek op hondengebied vaak voor Bassets Fau­ves de Bretagne aangezien. Deze honden, met een aantrekkelijk hoofd en gemakkelijke aard, zijn voor­treffelijke jagers op de haas en tegelijkertijd vrolijke en slimme gezelschapshonden. Ze hebben echter altijd erg veel lichaamsbeweging nodig.

De Basset Bleu de Gascogne lijkt al een stuk minder op de Basset Fauve de Bretagne door de vorm van zijn schedel, de lengte van de voorsnuit en van zijn oren, en natuurlijk vooral door de kleur van zijn vacht. De Basset Hound, een afstammeling van de Bloed­hond, is een veel zwaardere hond. Hij is enorm karak­teristiek met zijn grote hangoren, zijn halfgedraaide voorbenen en zijn stevige bespiering. Ook wat zijn aard betreft zijn er enorme verschillen tussen de Bas­set Hound en de Basset Fauve de Bretagne. Als ze maar een paar minuten bij elkaar zijn, valt het enorme verschil al op: de eerste is rustig en braaf, en de twee­de vrolijk, levendig en beweeglijk.

VOOROUDERGALERIJ

De Grands Fauves de Bretagne en dus ook hun kort­benige familieleden de bassets, kunnen bogen op een lange rij illustere voorouders. Ze zijn de directe nako­melingen van de beroemde meutehonden, zoals die van Anne de Beaujeu, dochter van de Franse koning Lodewijk XI. Zij had een Griffon Fauve-teef, Beaude, die werd gekruist met een witte brak. Hieruit ontstond een beroemde lijn jachthonden genaamd ‘Bauds’.

Graaf Le Couteulx de Canteleu schreef in 1890 het volgende over de Bassets Fauves de Bretagne in zijn beroemde handleiding over de jacht: ‘De Chien Fauve de Bretagne is een van onze oudste honderassen. Hij heeft een korte of harde vacht, net als de Vendéen, is van middelmatige afmeting, heeft een sterke constitu­tie en is erg spontaan. De Chiens Fauves zijn erg on­dernemend, jagen prima in het dichtste kreupelhout, maar ze zijn vaak ongedisciplineerd, koppig en chan­geren nogal dikwijls. Ze zijn erg dapper en onver­schrokken bij de aanval, hebben een tamelijk fijne neus, worden gemakkelijk driftig door een overmaat aan ijver. Na twee uur jagen houden ze het meestal wel voor gezien, net als de Vendéens. Hun vacht is ge­lijkmatig levendig rood, neigend naar bruinachtig, soms van een wat lichter rood. Zo was en is de Breton­se hond die in Bretagne te vinden is.

Er werd tweemaal een coupe de-France in de wacht gesleept voor de jacht op konijn, en later – in 1980 in Verona tijdens de wereldtentoonstelling van de Fédé­ration Cynologique Internationale – ging de prijs voor de beste brak naar een Basset Fauve de Bretagne.

De eerste Bassets Fauves de Bretagne werden gefokt voor de jacht onder het geweer en voor de lange jacht op klein wild, met name het konijn. Het terrein waarin dit moest gebeuren, waren de heidevelden en braam­bossen in Bretagne. Dat is de reden waarom het merendeel van deze honden heel lang een minimale schouderhoogte heeft behouden. Geleidelijk aan dun­de het kleine wild echter uit, wat voor een deel was te wijten aan myxomatose, een snel om zich heen grij­pende besmettelijke ziekte die de konijnen velde. Als gevolg daarvan werden de honden steeds meer ge­bruikt om op alle soorten wild te jagen. Hierdoor ont­stond een toenemende vraag naar Bassets Fauves de Bretagne die hoger op de benen stonden en die rechte voorbenen hadden. Daarnaast was het ook nog zo, dat de honden die uit Bretagne werden ‘geëxporteerd’ naar andere streken van Frankrijk, in een heel ander soort terrein moesten werken dan ze gewend waren. De rasvereniging zorgde er dus voor het fokken van deze honden met gedraaide benen niet aan te moedi­gen, en liet een hogere schoudermaat toe.

De ideale schouderhoogte ligt ergens tussen 32-38 cm, gemeten op het hoogste punt van de schouder.

De vacht moet iets lang, hard, dicht ingeplant, bijna glad aanliggend en vlak zijn, maar mag nooit zijdeachtig of gekruld zijn: De vacht is een prachtig voorbeeld van een aanpassing van de fauna aan de flora: ze maakt het immers heel erg gemakkelijk door terrein met kreupelhout, doorsneden met glooiingen en volge­plant met gaspeldoorns, te rennen. De oren zijn be­groeid met haar dat veel zachter en fijner is dan de vacht op de rest van het lichaam.

Professor Denis (van de Ecole Nationale Véterinaire te Nantes) adviseerde de Commission Zoötechnique van de Franse Société Centrale Canine, dat er maar één soort fauve (wildkleur) voor de vacht zou mogen wor­den erkend: roodachtig wildkleur of oranjeachtig wild­kleur, soms met wat wit. De aanwezigheid van wat wit op de borst kan worden toegestaan, zoals ook enkele witte haren op de buik, maar mag niet worden aange­moedigd. Ook is men niet erg gecharmeerd van wit tussen de tenen of op de punt van de staart. De tint van de vacht moet gelijkmatig zijn over het hele lichaam en kan variëren van goudachtig tarwekleurig tot mahonie. Zwart en charbonné zijn niet toegestaan. Nog maar en­kele jaren geleden leek tarwekleurig de overhand te krijgen, maar tegenwoordig duiken er ook weer meer donkere honden op. Ook aanschouwen soms zwarte honden het levenslicht, wat zonder twijfel een verwij­zing is naar het feit dat ongeveer 50 jaar geleden ruw­harige Teckels zijn gebruikt om het ras nieuw leven in te blazen.

Scroll naar top